Interview: Erhan Demirci

© Andreas Van Esbroeck

Kattenkwaad op het podium: van cité-rat tot ketje

Wie al eens een show van Erhan Demirci meemaakte, weet hoe hij moeiteloos de zaal weet te winnen met zijn schrandere, schertsende, maar nooit bittere observaties. Uit zijn voorstelling Made in Cité spreekt een grote liefde voor de streek waar hij opgroeide. In één adem neemt hij de generatie van zijn ouders én die van zijn kinderen op de korrel. En die vinden dat helemaal goed.

Je voorstelling gaat over lachen met de ander. Kunnen we dat nog, of hebben we tegenwoordig wel wat lange tenen?

Zelfrelativering is volgens mij het beste uitgangspunt, om dan een voorstelling over anderen te maken. Deze keer lach ik echt met iedereen: met senioren en vooral met Gen Z, met mijn Marokkaanse en mijn Italiaanse buurvrouw, met het feit dat ik waarschijnlijk de enige comedian in België ben die klachten krijg van een bevolkingsgroep omdat ik niét met hen lach: “Ah, zijn wij niet goed genoeg? Wanneer is het aan ons?” Dat vind ik een compliment.

De scherpte van Jeroen Leenders, naar wie ik erg opkijk, heb ik niet. Ik kan niet hard zijn. Mensen weten ook dat er een grens is aan mijn humor. Maar je moet wel kunnen lachen met elkaar, dat is net ontwapenend.

Even naar de cité in Limburg, waar je bent opgegroeid. Hoe zou je je jeugd omschrijven?

Op het moment zelf besefte ik het waarschijnlijk niet, maar ik heb een geweldige jeugd gehad. Verbondenheid en diversiteit… Ja, met die woorden zou ik die tijd benoemen. Mogelijk romantiseer ik het allemaal wat, nu ik de veertig gepasseerd ben. Maar terugblikkend, met al wat er in de wereld gebeurt, denk ik dat ik geen betere jeugd kon hebben.

Woon je in de cité, dan is er zo’n 85 à 90 procent kans dat het door de koolmijn komt. Je bent een zoon, een kleinzoon of een kleindochter van een mijnwerker, en dat schept een band. 

Er is een tijd geweest dat ik die kant een beetje verborgen hield omwille van de negatieve connotaties. De mijn, de cité, dat is wat Borgerhout is voor Antwerpen. Maar nu ben ik er heel fier op – en daarom ook deze voorstelling.

Vandaag is de cité verouderd. Ik maak wel eens de vergelijking met het Italiaanse platteland, waar je hoort klagen dat je jongeren allemaal naar de stad trekken. De generatie na mij waaierde uit naar Brussel, Hasselt of Genk, en de huiseigenaren blijven over. Dat zijn onze ouders hé. De generatie die nu op pensioen is, keert vaak terug naar Italië, Griekenland of Turkije en verkoopt hun huizen. De laatste jaren voel ik wel een omgekeerde beweging: heel wat mensen van mijn generatie kopen die huizen nu op.

Zelf keren we waarschijnlijk nooit terug, maar we gaan er wel vaak op vakantie. Mijn stadskinderen komen er erg graag en zijn bevriend met de kinderen van mijn vrienden. Onlangs zag ik er een jongen lopen, en ik wist meteen: dat is de zoon van Abdel. De gelijkenis was ongelofelijk - dat zijn wel leuke dingen. Al het kattenkwaad dat wij toen uithaalden, doen zij nu ook. De cirkel is rond.

Je noemt jezelf een echte cité-rat. Is dat de Limburgse tegenhanger van het Brusselse ketje?

Ja, zo is dat. Rondhangen, belletjetrek doen, bommetjes smijten, lawaai maken… Als ik volwassenen hoor praten over de jeugd die alleen maar hangt en gamet… Wij deden toch hetzelfde? Al hingen wij meer op straat rond met vrienden, en gebeurt dat bij de jeugd nu ook online.

We vierden onlangs zestig jaar Turkse migratie in België. Is het nuttig om af en toe eens terug te blikken naar wat goed ging, en wat niet?

Ik denk dat we dat zeker moeten doen. Als ik heel eerlijk ben geloof ik dat het integratieproces in Limburg veel beter is gelukt dan in sommige grootsteden. In de cité had je vijf allochtone groepen: Turken, Marokkanen, Grieken, Italianen en Spanjaarden. Er was geen overheersende groep, waardoor we allemaal Nederlands moesten praten. Maar in Schaarbeek, waar ik woon, kun je naar je eigen dokter, je eigen slager en je eigen advocaat gaan. Je kunt hier dus perfect overleven zonder een woord Frans of Nederlands te spreken, en dat is volgens mij een minpunt.

Niet alleen taal zorgt voor verbinding natuurlijk. Denk maar aan eten en drinken: de beste kebab, de beste Griekse restaurantjes vind je in Limburg. En sinds ik jong ben zijn er mensen met een voorbeeldfunctie in de politiek. In Schaarbeek gebeurt dat pas de laatste jaren. Ik denk dat we veel lessen kunnen halen uit het verleden.

Je voorstelling is ook een eerbetoon aan Limburg. Wat wil je heel graag vertellen over je geboortestreek?

Ik begin met de mijnramp van Marcinelle, een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van ons land. Er stierven veel kompels met Italiaanse roots, en dat is de reden waarom wij hier zijn. Eén jammerlijk detail in de geschiedenis heeft ervoor gezorgd dat wij hier zitten. Ik neem het publiek mee naar de cité en heb het over het verschil tussen de mensen die het land hebben opgebouwd – de gepensioneerden, de kompels dus – en Gen Z. Eindigen doe ik met de vraag die iedereen zich stelt: komt het nog wel goed met hen?

En? Komt het goed?

Uiteindelijk wel ja. Het komt goed. Maar eerst kraak ik hen volledig af (lacht). Dit is mijn vijfde show, en mijn kinderen zijn met iedere show meegegroeid. Ik gebruik hen ook altijd! Het begon toen ze zes en acht waren, en het is leuk om te zien hoe ze evolueren. De vorige keer was er enige schaamte, nu hebben ze een grote mond en beslissen ze mee. En ze vragen hun vrienden mee! Dat had ik nooit verwacht. Ik lach hen uit, en ze vinden het nog plezant ook.

Nog blijer ben je met reacties van de oudere generatie, die een beetje vergeten was.

Die kompels, de generatie die nu 60, 70 jaar is en die zo hard gewerkt heeft, daar heeft niemand het nog over. Ik merk dat ze nu erg blij zijn met de show. Hoe vaker we spelen, hoe meer we Gen Z én de oude generatie mijnwerkers in de zaal zien zitten. Dat is het mooiste cadeau.

Tekst: Lien Vanreusel - Kip Copy

Erhan Demirci
Made in Cité

Vrijdag 27 november 2026 - 20.15 uur